“You cannot change what
you cannot see”Dr. Deming, kwaliteitsgoeroe
Om de verliezen goed in kaart te kunnen brengen wordt er vertrokken vanuit de ideale omstandigheden. In de ideale fabriek werken machines continu (100% van de tijd). Deze machine behalen ook steeds hun volledige capaciteit (100% capaciteit). De producten die door deze machine geproduceerd worden zijn steeds van dezelfde vooropgestelde kwaliteit (100% goede producten). Het spreekt vanzelf dat dit ideale plaatje in de praktijk zelden haalbaar is.
(Nakajima (1988) deelt OEE op in drie categorieën: beschikbaarheid, prestatie en kwaliteit. De uitkomst van deze drie percentages vormt de effectiviteit van de machine. Oorzaken van verliezen worden aangegeven door de verschillen binnen de categorieën. Het onderstaand figuur geeft een schematische weergave van deze verliezen.
De OEE formule: OEE = beschikbaarheid x prestatie x kwaliteit
Om gericht te kunnen gaan werken aan verbeteringen is het noodzakelijk om te weten hoe verliezen in het productieproces ontstaan. Wanneer één van de drie categorieën het OEE getal sterk beïnvloed kan er ingezoomd worden op het probleem. De drie categorieën worden om deze reden ingedeeld in de zogenaamde ‘zes grote verliezen’.
Het verschil tussen ‘Ingeplande productietijd’ en ‘Werkelijke productietijd’ (= downtime verliezen) ontstaan doordat de machine niet altijd beschikbaar is voor productie. Omsteltijd verliezen en machinestoringen zijn hiervan de twee grootste oorzaken.
1. Omsteltijd verliezen: Het omschakelen tussen product
typen (inclusief opwarmtijd), herstart van de productie en opstartverliezen. De omsteltijden hoort dus niet bij de geplande stilstanden te staan.
2. Machinestoringen: Stilstandtijden ten gevolge van defecten aan de machine.
Het percentage waarin de huidige snelheid van de machine wordt afgezeten tegen de ontwerpsnelheid. Korte stops en snelheidsverliezen veroorzaken een reductie in de prestatie van de machine, hierdoor ontstaat er een verschil tussen de verwachte en gerealiseerde productie (=snelheidsverliezen).
3. Korte stops: Alle stops die niet veroorzaakt worden door logistieke zaken. Korte stops zijn bijvoorbeeld achtergebleven materiaal uit de matrijzen weghalen, vorm bijstellen. Dit in tegenstelling van machinestoringen, die langer duren en meestal reparatie door een operator vereisen.
4. Snelheidsverliezen: Snelheidsverliezen worden veroorzaakt doordat de machine langzamer draait dan de optimale snelheid, hierbij kan er bijvoorbeeld sprake zijn van slecht mengsel.
Producten die niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen veroorzaken een verschil tussen gerealiseerde producten en effectieve producten (=afvalverliezen).
5. Afkeur tijdens productie: De uitval tijdens de normale productie, dus na opstarttijd.
6. Afkeur tijdens het opstarten: Het betreft hier alle uitval tijdens de opstart en als inschakelverschijnsel na het omstellen.